VOGELS
Vink

Fringilla coelebs.
Kenmerken: Bij mannetjes, kruin, nek en zijkant hals grijsblauw, in de winter bruinachtig grijs, rug kastanjebruin, stuit groen, gezicht en onderdelen roodbruin, snavel blauw. Vrouwtje olijfgrijs. Beide met twee witte vleugelbanden. Ongeveer de grootte van een mus. De kwetterende zang eindigt met een overslag. Roept en zingt graag. Habitat: Overal waar bomen zijn, in stad en land. Buiten de broedtijd gezellig levend en dan
ook op de cultuursteppe. Gedeeltelijk trekvogel: vooral vrouwtjes en jongen trekken weg. Vandaar de Latijnse naam coelebs (= celibaat). Voedsel: Allerlei zaden, bezoekt graag de voederplank. In voorjaar en zomer overwegend insekten en spinnen. Zoekt op grond en jaagt in boomkruinen. Voortplanting: Nest goed gecamoufleerd door korstmossen, op 2-10 m hoogte in vork van een tak, maar ook in klimop. Legsel meestal 3-5 eieren. Tijd van broeden 12-13, broedzorg 12-15 dagen. 2 broedsels per jaar.