VOGELS
Boomklever

Sitta europaea.
Kenmerken: Een 'halsloos' gedrongen vogeltje met een lange stevige beitelsnavel. Bovendelen grijsblauw, onderdelen vuil okergeel met witte keel. Flanken roestbruin. Zwarte oogstreep. De korte staart heeft geen functie bij het klimmen. Ongeveer de grootte van een mus. Habitat: Dit vrolijk roepende en levendige klimvogeltje bewoont het liefst loofbossen en gemengde bossen, lanen en parken, ook tuinen met oude bomen. Houdt duidelijk van eiken. Komt graag op de voederplank. Trekt in winter rond met mezen, boomkruipers en goudhaantjes. Voedsel: Net als bij mezen zijn in de zomer insekten, in de winter zaden het hoofdvoedsel. Zeer flexibel. Zoekt niet als de specht met zijn tong, maar met zijn ogen voedsel in alle spleten van stammen en twijgen. Beitelt ook niet, maar hakt hard voedsel zacht. Loert ook op vliegende insekten in vroege voorjaar en zomer. Haalt voor
jongen rupsen van de bladeren. Zoekt zaden op de grond. Sterk uitgesproken drang tot het aanleggen van voorraad noten en eikels: hij maakt dan ook de voedertafel tot de laatste noot leeg. Voortplanting: Holenbroeder. in merkwaardige en kunstmatige nestholtes. De invliegopening wordt bepleisterd . Legsel meestal 5-8 eieren, tijd van broeden 15-18, broedzorg 23-24 dagen.
Spechten kunnen alleen naar boven klimmen. Boomklevers kunnen als enige vogels ook naar beneden langs de stam. Het vrouwtje metselt met klei de ingang van het nest zover dicht, dat het er nog net door kan. Ook binnenin de holte worden alle spleten en oneffenheden weggepleisterd. De grondlaag is van schorsschilfers, daarop prachtig gerangschikte dorre bladeren.