Andere vijverdieren
Dwergruggezwemmer

De dwergruggezwemmer is bijna in alle opzichten het kleinere neefje van de gewone bootsman. Ook hij houdt een luchtbelletje vast tussen zijn buikharen. En ook hij leeft van prooidieren, ofschoon ze met kleintjes genoegen moeten nemen. Alleen in bouw verschillen ze van elkaar. De dwergjes zijn iets meer gedrongen (twee millimeter) dan hun grote neef.
Watermijt

Het bestaan van de watermijt berust voor een aanzienlijk deel op ordinair geluk. De mijt leeft van het bloed van toevallige tegenliggers. Maar alleen wanneer hij per ongeluk tegen zo'n reiziger opbotst, komt hïj in actie en grijpt zich vast. Hij leidt met zijn niet alledaagse jachttechniek dus maar een onzeker bestaan. Daarbij komt hïj door zïjn niet indrukwekkend postuur gedrocht  regelmatig dieren tegen die hem eerder als prooi dan als bedreiging zien. Maar de wa-termijt heeft zijn felle rode kleur niet voor niets. Deze moet aanvallers waarschuwen dat watermijten een allesbehalve aange-naam vocht uitscheiden: ze moeten dan ook niets van het poezelige bolletje heb-ben. Nog even zij opgemerkt dat er in Ne-derland zo'n tweehonderdtwintig soorten watermijten voorkomen, die alle kleuren van de regenboog kunnen hebben.
Waterschorpioen

Twee dingen vallen onmiddellijk aan de waterschorpioen op. Dat zijn de uit hun krachten gegroeide kaken en de vreemde staart. Dat laatste aanhangsel is geen staart maar een tweedelige adembuis. De kaken waren voorheen zijn voorpoten. Die bleken overbodig, maar in hun nieuwe bestemming functioneren ze goed; ze kunnen heel snel samenklappen. Een zwemkampioen is de waterschorpioen niet. Het is dus geen dier voor de snelle achtervolging, eerder een afwachter die alleen toehapt bij onhandige jonge visjes, wormen en trage medeinsekten. Ons blijft overigens het mooiste van het dier onthouden. Onder de dekschilden is de waterschorpioen prachtig rood gekleurd.
Driedoornige stekelbaars

De stekelbaars kan het koninkje van de sloot genoemd worden. Hij gaat's zomers fel rood en blauw-groen getooid en gedraagt zich als een verlicht despoot. In de bodem maakt hij een nestje waarin het minder kleurrijke vrouwtje na een prachtige paringsdans eitjes legt. Meerdere vrouwtjes worden in hetzelfde nest tot leggen gedwongen, zodat het 300 tot1000 eitjes kan bevatten. Het mannetje bewaakt ze fel en ook als de jonge visjes geboren zijn, verzorgt hij die nog een hele week. Tegen het einde van de zomer trekken de jongen naar zee, later gevolgd door bijna alle volwassen dieren.
Gegroefde watertor

De gegroefde watertor is een gezellige, dikke tor die gemoedelijk lijkt rond te zwemmen. Maar ondertussen kijkt hïj wel uit naar kleine insekten. Want hoe vreedzaam hïj er ook uitziet, het blijft een waterroofkever. Het vrouwtje ziet er met haar brede lengtegroeven heel anders uit dan het mannetje met zïjn gladde huidje. Waarschijnlijk dienen de groeven voor een stevig houvast tijdens de paring.
Schaatsenrijder

Hoe een spin ook balanceert, hoe een mug ook vleugelwiekt, hoe een lieveheersbeestje ook spartelt, ze hebben één ding gemeen: op de waterspiegel zinken ze en ze zijn verdronken voor de dag ten einde is. En wie zal hen daar gaarne een handje bïj helpen? Juist, één van de weinige dieren die de wijdse watervlaktemoeiteloos oversteekt zonder zelfs maar nat te worden.: de schaatsenrijder. Nog geen rimpeling veroorzaakt hij bij het rennen over het moleculenvlies dat hem boven water houdt. De lichtste trilling van dat weide
wateroppervlak maakt hem attent op een kleine drenkeling die voor zijn leven vecht. Het slachtoffertje wordt onmiddellijk door de voorpoten gegrepen en leeggezogen.
Steekmuglarve

Omdat hïj geldt als het voornaamste voedsel voor andere slootdieren, is het niet verwonderlijk dat de muggelarve een zenuw trek heeft. Bij de geringste verstoring duikt hij met snelle, kronkelende bewegingen de diepte in. Gewoonlijk hangt hij roerloos aan de oppervlakte te wachten tot hij pop wordt en daarna mug. De poppehuid wordt als vlotje gebruikt, wanneer de volwassen steekmug voor het eerst d vleugels uitslaat.
Zwemwants

De zwemwants is een agressief ogend insekt. Dat is hij dan ook. Zijn vlijmscherpe kaken steken niet voor niets zo enthousiast naar voren. Hij houdt ze altijd in de aanslag voor eventuele kikkerlarven of jonge visjes. En hij is nog razend snel ook. Het is een van de weinige wantsen die zich thuis voelt in een met kroos dichtgegroeide sloot. Een goede vlieger is de zwemwants evenzeer, maar op het land maakt hij een hulpeloze indruk.
Geelgerande waterroofkever

Het moorddadigste insekt van de kleine onderwaterwereld is ongetwijfeld de geelgerande waterroofkever. Met zijn grote kaken valt deze kever zelfs volwassen stekelbaarzen aan, tweemaal zo groot als hijzelf. En de larve, die zes centimeter haalt, is een dik monster met sikkelvormige zuigkaken.
Waterspringstaart

Het wemelt er's zomers van. Soms vormen de grote aantallen diertjes een zwarte koek op de oevers of de waterplanten van een boerensloot. Soms ook komt alleen de lichtere soort bij honderden voor. Het gaat om de waterspringstaarten. Het zijn nietige, zo op het eerste gezicht vlo-achtige diertjes die opvallen door hun springerige aard. Een vork-vormig apparaat aan het achterlijf zorgt voor die grote springkracht. Er zijn tientallen soorten in ons land bekend. De meeste leven van fijne schimmels en algen. De exemplaren van de soort Sminthurides aquaticus vertonen een zeer opvallend paargedrag. Ze houden een soort van voorspel, waarbij ze met de koppen tegen elkaar gaan staan alsof ze elkaar iets moeten vertellen. Dan pakken ze elkaar bij de voelsprietjes en trekt het vrouwtje het mannetje omhoog en zet hem omgekeerd op haar rug. Zo lopen ze werkelijk dagenlang rond en het weerhoudt het vrouwtje er niet van vrolijk rond te springen. Even voor de paring takelt het vrouwtje haar gemaal weer naar beneden en vindt de paring plaats. Na de paring sterft het mannetje vrijwel meteen en ook het vrouwtje volgt hem na het leggen van de eieren weldra in het graf.
Onechte paardebloedzuiger

De onechte paardebloedzuiger, gracieus zwemmend als een waterslang, leeft voor-namelijk van kleine vissen, slakken, wor-men en insektelarven. Wanneer een bloed-zuiger aan zgn prooi begint te zuigen, zorgt hijer altïjd voor dat er een anti-stol, het hirudinine, in het wondje wordt gebracht. Als hij dat namelijk niet doet, wordt zijn mond al gauw verstopt door een flinke prop gestold bloed. Maar met het bloed onderweg naar de darmen moet het dier ervoor zorgen dat zich daar weer een stof bevindt die het bloed indikt. Anders zou hij maar een zielig beetje naar binnen krijgen. Geronnen bloed neemt veel minder plaats in dan stromend levenssap. De bloedzuiger heeft dus twee elkaar bestrijdende stoffen in zijn lichaam.
Posthoornslak

Met zijn rode bloed dat makkelijk zuurstof bindt, kan de posthoornslak ook in sterk verontreinigd (maar niet vergiftigd) water gedijen, waar een andere bekende waterslak, de poelslak, zou sterven. De posthoorn is een rustige grazer, die in tegenstelling met zijn soortgenoot geen planten vernielt. Hij eet uitsluitend algen.
Vlokreeft

Zo'n raar lijf als van de vlokreeft wens je je ergste vijand niet toe. Het is alleen kromgegroeid, maar ook nogeens zijdelings samengedrukt. Overal steken er poten en tasters uit. De ene is een kieuw, de andere een kaakpoot, de derde weer een valse poot voor de aanvoer van vers water. In rust slaat de vlokreeft het achterlijf tegen de borst, iets waar danser Noerejev een voorbeeld aan kan nemen. Meestal rust dit vreemde dier op zijn zijde. Zo verschuilt het zich achter stenen of rottende bladeren, want van licht is het afkerig. daar verorbert het vergane planten.
Poelslak

Er stroomt blauw bloed door de aderen van de poelslak en dat is lang niet altijd een voordeel. Blauw, zogenaamd haemocyanide bloed is veel minder goed in staat zuurstof te binden dan het rode, haemoglobine bloed. Daardoor kan de poel-slak niet zo lang onder water blijven, maar moet hij zïjn long regelmatig vullen aan de oppervlakte.
Wapenvlieglarve

Dit vreemde diertje, dat als een stokje aan de oppervlakte drijft, is moeilijk te herkennen. Van voortbewegen is bïj deze larve nauwelijks sprake; het enige dat het dier presteert, zïjn enkele spastische buigingen, die sorms enkele centimeters terreinwinst opleveren. Als het wordt aangeraakt houdt het zich tïjdenlang dood Om te verpoppen kruipt de 1arve op het land De vo1wassen vlieg leeft van nektar.
Zesogige clepsine

Een kleine, venijnige gelede worm is de brede bloedzuiger of zesogige clepsine. Het is de aartsvijand van de poel- en posthoornslakken. Tegen dit beweeglijke dier hebben de trage slakken geen enkel verweer. Ten gunste van de clepsines kan gezegd worden dat ze geweldige ouders zijn. Hun eieren dragen ze mee tot ze uitkomen en ook daarna mogen de jongen nog wekenlang op moeders lichaam meereizen. Zwemmen kunnen de clepsines niet. Ze bewegen zich op de manier van kruipende spanrupsen voort.
Kokerjufferlarve

Met zo'n weinig krijgshaftig uiterlijk en zo'n wit, week achterlijf is in de boerensloot de kokerlarve geen lang leven gegund. Daar heeft hij iets op gevonden: een kokertje dat zijn achterdeel beschermt en waarin hij zich terug kan trekken. Het rupsachtige dier maakt het zelf van stukjes plant, zandkorrels, steentjes, slakkehuisjes, of wat er voor'handen' is. Elke soort kokerjuffer gebruikt andere materialen. De larven leven van rottende plantendelen. Het volwassen dier heet schietmot en vliegt's nachts rond.
Eironde watertor

Het eironde watertorretje is in het vroege voorjaar een van de eerste kevertjes die te zien zijn in de sloot. Hij en de torretjes Agabus sturmi en Rhatus notatus maken de dienst uit als er zelfs nog geen waterplant te zien is.
Bruine platworm

Een van de onopvallendste en sierlijkste dieren van de sloot is de bruine platworm. Het dier op zich is niet bijzonder om te zien, maar zijn wijze van voortbewegen is verbazingwekkend. De wormen glijden snel en elegant over de bodem door middel van harmonieuze spiertrekkingen. Geen enkel obstakel is bstakel is in staat ze te stuiten. Zij hebben de rol van vuilnisophalers gekozen, hoewel ze naast al dat dode aas en plantenafval soms niet vies zijn van een levendeprooi Die wordt dan met pijItjes beschoten en stukje bïj beetje opgevreten.
Waterjuffer

Dit mooie, onschuldig ogende insekt zit vaak op een oeverplant te wachten tot een argeloze mug passert om die dan vliegensvlug na te zitten en in de vlucht te grijpen. De larve is een van de talloze onderwaterjagers die hun kaken in kleine visjes zetten.
Duikerwants

Een prachtige wants is de duikerwants. Grote, statige speedboten zijn het. Glanzend groenachtig bruin met gladde, zwarte dekschilden die fel afsteken tegen de zilveren luchtbel aan het achterlijf. Ze hebben de gewoonte om naar de waterspiegel te snellen, in een fractie van een seconde lucht te bemachtigen en weer weg te schieten. In tegenstelling tot de bootsmannetjes waarop ze sterk lijken, zijn het vreedzame planteneters, die uren doorbrengen op de bodem. Daar zie je ze met hun schepvormige voorpoten voortdurend plantenresten opwoelen. De 'losse'
handjes worden door de mannetjes nog voor iets anders gebruikt. Op rustige zomeravonden kruipen de meest romantische exemplaren een eindje boven het water uit, op een bloemstengel of zo, en beginnen daar hun sjirp-aubade. Als flamengogitaristen beroeren ze hun achterpoten. Hun dijen vormen de snaren die ze met hun voorpootjes betokkelen.
Moerasslak

De moerasslak heeft zich ontdaan van het onhandige ademhalingsprobleem van zijn medekruipers en kieuwen ontwikkeld. Geen lastige reisjes naar de oppervlakte dus, maar vreemd genoeg verschijnt het dier daar wel als de zon fel schijnt. Dan drijven alle moerasslakken aan het wateroppervlak. De slak voedt zich met zowel plantaardige als dierlijke stoffen. Heel bijzonder is, dat de slak geen eieren legt, maar levende jongen ter wereld brengt.
Zoetwaterpissebed

De zoetwaterpissebed heeft iets over zich van een oude archivaris. Dat komt door de stand van zijn poten. Het is net alsofhet dier op de knieën van zijn achterpoten kruipt. Dat geeft hem iets slofferigs. Onvermoeibaar zoekt hij naar rottende plantendelen. Dank zij zijn kieuwen hoeft hij nimmer naar de waterspiegel.
Vijverpluimdrager

De 'pluimen' die het slakje heet te dragen, zijn kleine uitwendige kieuwen die als een pluimpje uit zïjn huisje steken.
Pikzwarte watertor

Met de pikzwarte watertor is iets merk-waardigs aan de hand. In het korte tijdsbestek van de gedaanteverwisseling verandert deze kever totaal van karakter en gedrag. De keverlarve is een waar gedrocht van zeven centimeter dat al wat het voor de zuigkaken komt, verslindt. Wordt de larve zelfbeetgepakt, dan legt hij een rookgordijn van zwarte vloeistof. Als hij uit het water wordt getild, geeft de larve een snerpende gil en kronkelt hij zich wild bijtend los. Na de verpopping gebeurt er echter iets vreemds. De volwassen kever blijkt opeens een goedmoedige kolos te zijn, die zich voedt met half-vergane plan-tenresten en geen slak kwaad doet.
Waterspin

Er is geen spin die het in haar hoofd haalt haar leven te slijten onderin zo’n onaangenaam gebied als een boerensloot. De waterspin is de enige spin ter wereld die zich daar thuis voelt. Het eeuwige ademhalingsprobleem lost zij op door een hoopje frisse buitenlucht tussen haar poten mee te nemen en het op te slaan in een luchtkamer, een duikerklok van waaruit zij op larfjes en torretjes jaagt. Die klok beves-tigt zïj meestal tussen wat waterplanten met behulp van een gesponnen matje dat de luchtbel vasthoudt. Het’klokkenspel’ van de waterspin is uniek. Er is werkelijk een klok voor alles. Voor de maaltijd is er de eetkamerklok. Voor de vervelling worden vervellingsklokken gebouwd. Er wordt overwinterd in een speciaal gesponnen winterklok of een leegstaand slakkepand. Het mannetje stopt in de paartijd zijn zaad zelfs in een speciaal spermaklokje en het vrouwtje haar legsel in een eierklokje die netjes samensmelten. Daar uit komen vijftig tot honderd jongen die ook nog even in de klok leven.
Bootsmannetje of ruggezwemmer

De wet van Archimedes speelt in het leven van het bootsmannetje of ruggezwemmer wel een ondraaglijk grote rol. Doordat zijn soortelijk gewicht geringer is dan water wordt hïj zijn hele leven door de opwaartse druk naar de waterspiegel gestuwd. Een constante kwelling, want hij moet zijn voedsel wel beneden zien te vinden. De bootsman is dan ook uitgerust met een aantal sterke roeispanen dat hem schokkend doet voortbewegen. Ook op geometrisch gebied beziet het bootsmannetje het leven vanuit een andere optiek. De wereld trekt omgekeerd aan zïjn oog voorbïj, want te allen tijde zwemt hij op zijn rug. Waarom en waartoe is niet helemaal duidelijk. Tussen zijn vele buikharen houdt de wants een enorme luchtbel in bedwang die hem van zuurstof voorziet en tegelijk een prachtig aanzien geeft. De ruggezwemmer is overigens een kwaadaardig roofdier. Hij eet alles dat even groot is als hïjzelf en zal zelfs niet terugschrikken voor e'en hapje soortgenoot.
Tiendoornige stekelbaars

De tiendoornige stekelbaars gedraagt zich ongeveer hetzelfde als de driedoorn. Met dit verschil dat het mannetje zijn nestje tussen waterplanten laat hangen en de visjes's winters niet naar zee trekken.