Gewoon bootsmannetje, (Notoneca glauca)
Rugzwemmers worden vaak wel genoemd. Ze zwemmen op hun rug om in het water te kunnen kijken, want zij hebben hun ogen in het achterhoofd. Dit is een van de gewoonste insecten in onze tuinvijver. Het zijn goede vliegers. Bovendien zijn ze zeer vroeg in het jaar actief. In januari kunnen de eerste paringen al waargenomen word en begin februari worden de eerste eieren gelegd. Hiermee kunnen ze tot in mei doorgaan. De eieren worden in de stengels van waterplanten afgezet. In juli verschijnen de eerste volwassen dieren. Deze blijven de winter over maar kènnen, net als de waterschorpioen, geen echte rustperiode. Ze proberen alles te vangen wat zwemt tot de grootte van een flink kikkervisje. Met de steeksnuit brengen ze giftig speeksel in. Ook mensen steken ze. De steek is pijnlijk.
De wet van Archimedes speelt in het leven van het bootsmannetje of ruggezwemmer wel een ondraaglijk grote rol. Doordat zijn soortelijk gewicht geringer is dan water wordt hïj zijn hele leven door de opwaartse druk naar de waterspiegel gestuwd. Een constante kwelling, want hij moet zijn voedsel wel beneden zien te vinden. De bootsman is dan ook uitgerust met een aantal sterke roeispanen dat hem schokkend doet voortbewegen. Ook op geometrisch gebied beziet het bootsmannetje het leven vanuit een andere optiek. De wereld trekt omgekeerd aan zïjn oog voorbïj, want te allen tijde zwemt hij op zijn rug. Waarom en waartoe is niet helemaal duidelijk. Tussen zijn vele buikharen houdt de wants een enorme luchtbel in bedwang die hem van zuurstof voorziet en tegelijk een prachtig aanzien geeft. De ruggezwemmer is overigens een kwaadaardig roofdier. Hij eet alles dat even groot is als hïjzelf en zal zelfs niet terugschrikken voor een hapje soortgenoot.
Lichaamslengte: 14 - 16 mm