Verspreiding:
Het verspreidingsgebied komt nagenoeg overeen met dat van de poelkikker.
Ondersoorten:
De middelste groene kikker is geen soort maar een kruising tussen een meer- en een poelkikker!
Leefgebied:
De middelste groene kikker is minder gespecialiseerd en opportunistischer dan de beide oudersoorten (meer- en poelkikker). Hierdoor is hij in alle door deze soorten bewoonde gebieden te vinden. Bovendien komt hij voor in brakkig water. De klepton bezit een goed ontwikkeld trekvermogen en wordt ook verder van het water aangetroffen. Vaak behoren middelste groene kikkers, en dan vooral de jonge dieren, tot de pionierssoorten van nieuw ontstane wateren. Ze overwinteren vaker op het land dan onder water. De larven geven de voorkeur aan de bovenste waterlagen. Overdag leven ze vaak in het ondiepe water in de buurt van de oevers, 's nachts bevinden ze zich in de diepere delen van het water.
Voedsel:
Het aandeel van direct bij het water levende ongewervelden in het voedsel van de middelste groene kikker is kleiner dan bij de meerkikker. Jonge dieren eten vaak steekmuggen.
Vijanden/Afweergedrag:
Middelste groenekikkers vluchten het water in, waar ze zich verbergen in het bodemsubstraat of tussen de waterplanten. Als ze worden vastgepakt kunnen de dieren met open bek schreeuwen. Ander passief afweergedrag bestaat uit: het zich opblazen, de kop wegbuigen en de snuitpunt op de grond drukken. Soms voeren de dieren ook actief met hun kop stootbewegingen richting de vijand uit. De larven zijn erg schuw en vluchten soms nogal onstuimig weg.
Voortplanting:
In principe net als bij de oudersoorten. Het vrouwtje zet meerdere eiklompen af die tussen de 2890 en 10000 eieren bevatten. Net als bij veel andere amfibieën neemt het aantal eieren en de gemiddelde doorsnede van de eieren toe met de lichaamsgrootte van het vrouwtje. Vaak zijn bij middelste groene kikkers de eieren van één eiklomp van verschillende grootte; de doorsnede varieert tussen de 0,9 en 2,5 mm. Steeds vaker worden vrouwtjes met zeer kleine geslachtsklieren (gonaden) aangetroffen waarvoor drie verklaringen mogelijk zijn: genetisch effect als gevolg van de hybride oorsprong, verlate geslachtsrijpheid, niet deelnemen aan de voortplanting. Een deel van de mannetjes was geheel steriel - een gevolg van de hybride oorsprong. De embryonale ontwikkeling komt overeen met die van de oudersoorten.
Paarroep:
De knorrende of ratelende roep kan omschreven worden met 'ré...re...ré' en duurt circa 1,5 seconde. Hierbij worden iedere seconde 20-30 'tonen' geproduceerd. De roep van het klepton houdt het midden tussen die van de beide oudersoorten en kan verwisseld met de roep van de houtsnip, kleinst waterhoen, wouwaapje.
Larvale ontwikkeling, geslachtsrijp-heid, leeftijd:
Op basis van het hierboven genoemde verschil in eigrootte kan de totaallengte van de larven bij het uit het ei komen variëren tussen de 5 en 10 mm. Doorgaans groeien ze in één zomer uit tot een lengte van 45-80 mm. Ook reuzenlarven zijn waargenomen. Pas gemetamorfoseerde juvenielen worden vanaf eind juli tot september/oktober gezien, waarbij de meerderheid in augustus het land op gaat. Ze hebben een kop- romp-lengte tussen de 20 en 22 mm. Nog voor de eerste overwintering kunnen sommige dieren groeien tot een kop-romp-lengte van 40 mm. Het merendeel van de mannetjes en de grootste vrouwtjes worden al in het jaar na de eerste overwintering geslachtsrijp en in het daaropvolgende jaar nemen ze deel aan de voortplanting. In gevangenschap werd een vrouwtje 14 jaar oud.
Jaar- en dagactiviteit:
De middelste groene kikkers overwinteren tussen september/oktober en maart. Meestal doen ze dit op het land en slechts zelden onder water. In de voortplantingstijd zijn de dieren dag- en nachtactief, daarbuiten hoofdzakelijk dagactief. Vastgesteld is dat de dieren een afstand van 2,5 km kunnen afleggen.
Bedreiging en bescherming:
Net als bij alle andere amfibieënsoorten gelden ook voor de poelkikker de algemene bedreigingen als waterverontreiniging en verstoring van de voortplantingswateren en van het landbiotoop.