gebruikt. De voortplantingsplaatsen liggen meestal in de volle zon. Vlotgras is één van de karakteristieke planten voor voortplantingsplaatsen van de heikikker.
Buiten de voortplantingstijd zijn de heikikkers vooral te vinden tussen biezen en zeggepollen of in de kruidlaag. In droge zomers zoekt de heikikker net als de groene kikkers de wateroevers op. De winterkwartieren bevinden zich op het land; het is nog omstreden of sommige dieren ook in het water overwinteren. De heikikker komt vaak samen met de bruine kikker voor.
Voedsel:
Er werd de maaginhoud van heikikkers onderzocht. Daarbij had 66% van alle dieren kevers in hun maag; 22% snuitkevers, 10% loopkevers. 18% van de magen bevatte regenwormen en andere ongewervelden: 16% vliesvleugeligen, 14% tweevleugeligen, 10% vlinders, 10% sprinkhanen, 8% spinnen en 6% landslakken.
Vijanden:
Heikikkers worden gegeten door de gewone en de zwarte ooievaar, buizerd, torenvalk, kerkuil, oehoe, bosuil, scharrelaar en verschillende kraaiachtigen. De larven vallen ten prooi aan vissen, blauwe reigers, roerdompen en verschillende waterinsekten.
Afweergedrag:
In de voortplantingstijd zijn heikikkers erg schuw en duiken ze bij de nadering van een vermeende vijand direct onder water. Bewegingen worden waargenomen tot op een afstand van 20 meter en verder. Op het land vlucht het dier in dichte vegetatie. Bij aanraking drukken de heikikkers zich tegen de bodem, tillen de voorpoten op en leggen de handen met naar boven wijzende handpalmen op de ogen. Een enkele keer maken ze ook een geluid.
Voortplanting:
De heikikker is een explosieve broeder van het vroege voorjaar. De voorjaarstrek naar het voortplantingswater vindt bij de meeste populaties plaats tussen begin en eind maart. De terugtocht naar de zomerkwartieren voltrekt zich tussen half april en half mei. Opvallend is dat een groot aantal niet geslachtsrijpe subadulte dieren dezelfde trekbewegingen maken. Dit is ook bekend van de bruine en de springkikker. Bij het begin van de trek is het aandeel mannetjes en vrouwtjes nagenoeg gelijk. Later domineren de mannetjes en nog wat later de vrouwtjes. Ze blijven ongeveer 4 weken in het water; mannetjes gemiddeld genomen langer dan de vrouwtjes, die vaak al na enkele dagen het water weer verlaten. Pas in het water krijgen de mannetjes hun specifieke blauwe kleur.
Bij de paring worden de vrouwtjes in de oksels omklemd. Ze zetten vervolgens één tot twee eiklompen af, die 500-3000 eieren bevatten en in het water opzwellen tot vuistgrootte. Bij een populatie heikikkers varieerde eens het gewicht van het legsel tussen de 30 en 56 % (gemiddeld 42 %) van het lichaamsgewicht van het vrouwtje. Meestal worden de eiklompen bovenop planten afgezet (vlotgras), op een waterdiepte van 10-30 cm. De eiklompen worden zelden op de bodem van het water aangetroffen. De eieren zijn van boven donker- tot grijsbruin en hebben op de onderkant een lichte, niet scherp begrensde vlek. De eieren hebben een diameter van 1,5-2 mm, het geleiomhulsel 6-8 mm. Net als bij gewone padden en bruine kikkers is de balts en de eiafzetting geconcentreerd in één bepaald deel van het water. In grotere geschikte wateren kunnen meer dan 10 van dergelijke voortplantingsplaatsen liggen, waar zich enkele honderden tot duizend heikikkers kunnen ophouden. De embryonale ontwikkeling is na 14-25 dagen voltooid.